Lesopzet “hoe word je een griezel”

Gisteren mocht ik met collega Mariken Jongman op het Slingelland VMBO-college in Drachten optreden. Mijn deel van de bijeenkomst met 12/13 jarigen ging over het tekenen van griezels. Ter voorbereiding maakte ik deze lesopzet.

Woordspellerig (31): Meer met moeilijke woorden

Nieuwe woorden leren via taalspel?

Is er een taalspel dat direct gericht is op het aanleren van nieuwe woorden? Een taalspel dat je ook kunt inzetten om de grammatica te verbeteren? Een taalspel dat aanleiding geeft tot goede gesprekken en gebruikt kunnen worden als een begin van een verhaal? Ja. Dat is er.

Wat zijn moeilijke woorden?

Tijdens een verloren kwartiertje met wat collega’s liet ik ieder twee moeilijke woorden op papier zetten. “Wat is moeilijk?” was de voor de hand liggende vraag. “Dat mag je zelf kiezen,” was mijn antwoord. Het kan over een moeilijk begrip gaan, of moeilijk te spellen zijn, of anderszins moeilijk of slecht te begrijpen.
“Obstructie”, “hyacint”, “implementatiefase”, “cataract” en nog twee woorden die ik vergeten ben werden geopperd. De eerste leerfase bestond uit discussie over de juiste spelling van de woorden, maar ook over de betekenis. Zo wisten we niet allemaal dat cataract niet alleen een soort waterval is, maar ook een vorm van staar.

Volwassen resultaten

De vervolgopdracht luidde: maak van de twee woorden die een collega heeft opgeschreven een goede Nederlandse zin. Dit zou bij kinderen een goed moment zijn geweest om het over zinsbouw te hebben. De volwassenen konden gewoon aan de slag. Een van de gemaakte zinnen luidde: “De coach pleegde dusdanig veel mentale obstructie, dat het team absoluut niet toekwam aan de implementatiefase van het project.”

Deze zin paste wel bij de organisatie waar één van de deelnemers werkte.
In een geheel andere setting kwamen de woorden “waterlanders” en “mechanica” naar boven drijven. De daarop gebaseerde zin luidde: “De Waterlanders probeerden zich in de mechanica te verdiepen.” Waar de woordbedenker “waterlanders” nog zag als een ander woord voor tranen, maakte de zinschrijver er iets anders van, dat bij toeval goed paste bij het nieuwste boek van collega kinderboekenschrijver Marco Kunst. En zo kwam er vanzelf een gesprek op gang over de jeugdliteratuur.

Het taalspel is ook geschikt voor kinderen

De voorbeelden die ik net liet zien werden door volwassenen geproduceerd. Maar ik speelde het ook met twee kinderen, en met een klas vol kinderen uit groep 5. In de klas liet ik een paar kinderen de moeilijkste woorden die ze kenden opnoemen. Het waren “communiceren” en “inspiratie”. De kinderen leerden elkaar (met enige bijsturing mijnerzijds) de juiste schrijfwijze en betekenis. Vervolgens mocht iedereen proberen er een mooie zin van te maken. Wat mij bijbleef was de zin “Mijn ogen en hersenen communiceerden met elkaar, en daardoor kreeg ik inspiratie.”
Mooi, toch?

9e Middag van het Kinderboek


In mei organiseerde ik samen met collega Marco Kunst de 9e Middag van het Kinderboek, een jaarlijks evenement dat in de OBA in Amsterdam gehouden wordt. Het thema van deze editie was: “Wat maakt een boek een goed kinderboek?”.
Het verslag van deze bijzonder geslaagde bijeenkomst staat nu online, en is hier te vinden.

Krokodil of Alligator

Of ik een Franstalig non-fictieboek voor kinderen wilde vertalen en bewerken? Nou en of! Ik ging aan de slag met woordenboeken, encyclopedieën, het internet, en met pen en papier. Het was al een mooi en informatief boek, maar nu is het ook geschikt voor de Nederlandstalige kinderen. Leuk hoor.

Wat is het verschil tussen een krokodil en een alligator? Of tussen een stalactiet en een stalagmiet? Is een konijn echt geen haas?
Het boek is verschenen bij Fontaine Uitgevers.

Boek een bezoek via de Schrijverscentrale


De Schrijverscentrale?
Ja. De Schrijverscentrale. De Schrijverscentrale is de nieuwe naam voor een al lang bestaande organisatie. Vroeger heette het de Stichting Schrijvers School Samenleving. Nu staan er minder s’en in de naam, maar bemiddelen ze nog steeds bij het organiseren van schoolbezoeken. Zoals een bezoek van mij. Kijk maar hier (of klik op de foto die is gemaakt door Titia Hahne.

Fantaseren met de schoolschrijver

Met groep 5 van OBS Olympus ging ik aan de slag met Alice in Wonderland. En met snoep. Kijk maar.

De paaseieren zijn op

Woordspellerig (30): Zelf-woord-portretten

Kennismaking via een taalspel

Wat doe je met een groep mensen die je niet zo goed kent? Je gaat kennismaken! En een taalspel leent zich hier goed voor.
Zo deed ik talige kennismakingsspelletjes met een groep leerkrachten van een basisschool.
Eerst maakten we naamsacroniemen voor elkaar (zie hiervoor woordspellerig nr 1). Daarna liet ik de leerkrachten van één van de woorden die ze goed bij zichzelf vonden passen een prachtige maar zwaar overdreven (bijna leugenachtige) zin maken.
Het was grappig. Maar het was vooral de opmaat voor het maken van zelf-woord-portretten.

Taal en beeldtaal: portretten

Portretten en zelfportretten en zijn vooral beeldig, maar beeld-talig portretteren kan best.
Voor de taalactivering begon ik met het inventariseren van woorden die het eigen lichaam beschreven. Daarna gingen we op zoek naar de vaardigheden en eigenaardigheden van het lichaam. Tenslotte kwamen de behoeftes aan bod.
Nu hadden we genoeg woorden om er beelddichten van te gaan maken (na uitleg en voorbeelden te hebben geven: https://www.google.nl/search?q=beelddicht).
Voor de taligen onder ons: beelddichten zijn gedichten waarbij de uiterlijke verschijningsvorm lijkt op het onderwerp dat beschreven wordt.
Voor de beeldigen onder ons: beelddichten zijn tekeningen waarbij het beeld niet is opgebouwd uit lijnen en kleurvlakken, maar uit woorden.

We maakten geen gewone beelddichten, maar zelf-beeld-dichten. Zelf-woord-portretten.

Het resultaat

Er was niet veel tijd beschikbaar, dus streefden we niet naar prachttaal of prachtbeeld, maar wel naar herkenbaarheid. Dat had ook best anders gekund. Hieronder zie je wat resultaten.
Zoek mijn eigen zelf-woord-portret!




Wellicht lukt het ook met basisschoolkinderen, ik ga het zeker een keer proberen.

Woordspellerig (29): (ver-)werkwoorden

Een taalspel met zelfstandige werkwoordige naamwoorden

Er zijn zelfstandig naamwoorden (ding-woorden) die in hun meervoudsvorm ook een werkwoord (doe-woord) zijn. Het meervoud van voetbal is voetballen. En voetballen is iets dat je kan doen.
Bij voetballen liggen de betekenis van het werkwoord en het zelfstandig naamwoord dicht bij elkaar. Voetballen doe je met een voetbal.
Dat is niet altijd zo. Het meervoud van bak is bakken, maar bakken doe je niet met een bak. Bakken doe je eerder met een bakvorm, een kom, een mixer en een (bak-)oven.
Ik denk dat de meeste zelfstandig naamwoorden in hun meervoudsvorm geen werkwoord zijn. Dat komt natuurlijk doordat een hoop meervouden niet op -en eindigen, maar op –s (tafel, tafels), maar vooral omdat je sommige dingen nu eenmaal niet doet. Je gaat niet bedden. Of stenen. Of dingen. Of stoelen.
Of toch wel?

Kan je zelfstandig-naamwoorden?

In groep 4 ging ik op onderzoek uit. We zochten meervoudsvormen met –en, en bedachten wat het zou kunnen betekenen. Zo werd “bedden” naar bed gaan, “benen” een ander woord voor lopen, en wat “stoelen” is kan je in het filmpje bekijken.

Kom je zo bijzondere dingen tegen? Jawel hoor. Zo is “ballen” voor sommigen een werkwoord dat niet helemaal geschikt is voor 8-jarigen. En “gebouwen” is een werkwoord dat Jotie ’t Hooft in een gedicht gebruikte (Uit “en wat dan?”: …/Want wie als ik nooit heeft/gebouwen laat niets achter dan/
verwachting en verwarring en/wat dan?/…).
Voor je het weet gaat een taalspel daarmee over in seksuele voorlichting of poëzie-analyse. Niet verkeerd voor een spelletje werkwoorden.

PS: de andere kant op kan vast ook. Wat is een wandel? Of een tennis?

Praten over normen en waarden?


Hartog & Hartog hebben een boek geschreven over normen en waarden. En dat net nu de staatssecretaris en minister van O&W hebben opgeroepen om deze onderwerpen meer in de klas te bespreken, en de minister-president vindt dat we normaal moeten doen!
Het boek heet: “mag je zeggen wat je vindt?” en gaat in op praktische vragen rond normen en waarden. Mag je stelen? Wanneer mag of moet je liegen? Waarom moet je voor je omgeving zorgen? Is vrijheid van meningsuiting altijd goed? Wat is eerlijk? Is eigendom goed? Heeft iedereen recht op respect? Is godsdienst belangrijk? Wat moet je met vrijheid? Wat is er mis met discriminatie?
Het boek is niet belerend, wel leerzaam, en bijzonder geschikt voor kinderen vanaf een jaar of negen. Speciaal voor in de klas hebben we er ook een lesbrief bij gemaakt (naast wat extra info over het boek hier te vinden).
Wij zijn enthousiast over het boek, en kidsweek ook (kijk maar: hier).
Stel nu dat je op school (of elders) aandacht aan het thema wil besteden: wij houden ons van harte aanbevolen, we komen graag langs. Je kunt ons inhuren via de stichting schrijvers school samenleving.