Tag Archive for Woordspel

Woordspellerig (34): Klinkeren

Woorden maken met één enkele klinker

Op een basisschool in Amsterdam Oost treed ik regelmatig op in een klas hoogbegaafde kinderen. Ze weten veel, kunnen veel, en willen nogal eens uitwaaieren met hun gedrag en gedachten. Ik probeerde ze wat te focussen, bijvoorbeeld met gedichten met rijmdwang. Maar leuker vond ik het te kijken of ze met een woordspel zinnen of zelfs verhalen konden maken met één enkele klinker. Het leidde (uiteraard) tot verhitte discussies over de vraag of de Y al dan niet een klinker is (zoals hij in mijn naam voorkomt wel, maar zoals hij in yoghurt gebruikt wordt niet, was de voor iedereen acceptabele uitkomst), maar dat terzijde.

E-vertelsels

Na wat klassikale oefeningen met woorden waar alleen de klinker “e” in stond, moesten er e-vertelsels gemaakt worden. De resultaten waren bemoedigend.
Romijn schreef:
e-vertelsel
“We hebben wel zeven neefjes, en ze eten veel. Met het kerstfeest hebben we echt heel veel vers eten gegeten. En geen enkel neefje heeft te vrezen eten te vergeten.”

Er moet meer ge-aad worden!

Als huiswerk kregen de kinderen de vraag iets dergelijks te maken met de a. En een brutalo vond dat ik zelf ook aan de slag moest. Ik ben vergeten wat de kinderen zelf ge-aad hebben vast te leggen. Ik maakte, indachtig het feit dat collega Anna van Praag vorig jaar op deze school optrad:

Anna van Praag haat Ara’s. Mag dat?
Ja, dat mag.
Anna van Praag jaagt Ara’s. Mag dat?
Ja, dat mag.
Anna van Praag kaakt acht Ara’s. Mag dat?
Wat? Wat? Kaakt Anna van Praag acht Ara’s?
Ja. Anna van Praag kaakt acht Ara’s.
Bah, Anna! Bah!

Klinkeren of Lipogram

Als spel noemde ik het klinkeren, maar ik heb later eens opgezocht hoe je zo’n soort tekst formeel noemt. Het heet lipogram, dat zoveel betekent dat iets verboden wordt. Een a-lipogram betekent dat een woord geen a’s bevat. Een a-i-o-u-y-lipogram betekent dat de enige klinker die wel gebruikt mag worden de letter e is. In Opperlans! wordt deze versie spelenderwijs een e-legende genoemd. Een e-i-o-u-y-lipogram staat daar bekend als een a-saga. “Anna-praat”, dat kan wat mij betreft ook.
E-legendes zijn redelijk goed te doen. Je kunt alle lidwoorden gebruiken, en nogal wat voegwoorden en werkwoorden. Bij a-saga’s (of erger, u-klussen) moet je bijna d’apostrof als weinig fraaie noodgreep gebruiken.

En waar was dit goed voor?

Het was al met al een speelse oefening in woordzoeken, zinbouwen en verhaalbrouwen met beperkte middelen.

Woordspellerig (33): Woordlettervierkanten

Woorden maken op een vlak van 5 bij 5

Toen ik een paar weken geleden in De Kinderboekwinkel in Amsterdam een praatje mocht houden over taalspelen, hoorde ik over een woordspel dat collega Louise Bos thuis wel eens speelt. Na wat uitleg dacht ik: “dat ga ik ook proberen”. Dochterlief (12) was het welwillende en tamelijk enthousiaste (winnende) slachtoffer.

Het is de bedoeling om met min of weer willekeurige letters zoveel mogelijk woorden in het 5*5 vlak te maken. Des te meer woorden, en des te langer de woorden, des te meer punten een speler krijgt. En de meeste punten winnen.

Het spel

Men neme ter voorbereiding een velletje papier en een schrijfinstrument per speler. Teken op het papiertje een vierkant van 5 bij 5 blokjes. Daarmee zijn de voorbereidingen meteen klaar, en kan het echte spel beginnen.
Om de beurt mogen de spelers volstrekt naar eigen inzicht een letter opnoemen. Alle spelers moeten de genoemde letters ergens in hun eigen speelveld opnemen. Iedere speler probeert voor zicht zoveel mogelijk, zo lang mogelijke woorden te leggen. Je moet het (bij voorkeur) echt alleen doen. Meekijken bij ander spelers mag niet. Als 25 letters genoemd zijn, is het spel ten einde, en wordt gekeken wie de meeste woorden heeft, en hoe lang die woorden zijn.

De woorden worden van links naar rechts, en van boven naar beneden geteld. Woorden van twee letters krijgen twee punten, woorden van 3 letters drie, en zo verder.
woordspel Wij vonden het behoorlijk leuk. Ik kan me zo voorstellen dat je kleinere kinderen moet helpen bij het tellen van de punten. Sommige woorden zien ze wellicht zomaar over het hoofd. Wij legden de mooie letterreeks DELTA. 2 punten voor DE, twee punten voor EL, vijf punten voor DELTA. Maar de drie punten voor DEL werden bijna gemist. En de vier punten voor DELT (als vervoeging van het werkwoord DELLEN, hetgeen volgens een ander spel dellerig gedrag vertonen betekend), werden geheel over het onschuldige hoofd gezien.

Mogelijkheden, nut en naam

Er zijn spelvarianten mogelijk. Verplicht eenzelfde letter in het midden leggen, woorden die ook van rechts naar links of diagonaal gelezen mogen worden, andere tellingen, strafpunten voor woordkundigen, een groter speelveld, noem maar op.
Ik durf het aan met iedereen vanaf een jaar of acht te spelen. Maar niet in te grote groepen, anders duurt het allemaal te lang.
Wat rest nog? De vraag naar het nut van het spel? Naast talig tijdverdrijf? Bevordering van de woordenschat en aandacht voor spelling. Niks mis mee.

En ik noem het de woordlettervierkanten. Of letterwoordvierkanten. Of vierkantwoordletteren. Of vierkantletterwoorden.

Woordspellerig (32): 1-woords-kennismaking

Alle begin is moeilijk, ook voor een taalspeler die voor het eerst voor een specifieke docentengroep staat. Vorige week mocht ik weer een praatje houden over het nut van taalspellen en taalspelen. Passend bij het onderwerp koos ik voor een talig kennismakingsspel.
De startvraag luidde: “schrijf op een papiertje dat ene woord wat het beste bij je past”. Dat klinkt eenvoudig, maar er was natuurlijk toelichting nodig. Het gaat om dat ene woord dat aangeeft waar je nu mee bezig bent, wat je nu belangrijk vindt, waar je voor gewaardeerd wilt worden, dat je definieert.
Vervolgens vroeg ik de deelnemers de blaadjes om te draaien, en liet ik ze om de beurt raden naar wat een collega over zichzelf had opgeschreven.
woordspel, kennismaking, bezeten
Het werd een vrolijke en inzichtgevende oefening in zelfkennis en mensenkennis, en kon meteen gebruikt worden om de woordenschat aan te scherpen. Zo kwamen er voor sommigen nieuwe woorden op tafel (“dromenjager”, “fetisjist”), en werd er gediscussieerd over de betekenis van woorden (“bezeten”). En voor mij werkte het goed om een eerste beeld te krijgen van de deelnemers.
Leuk om te doen met (halve of hele) volwassenen.

Taalelement: Woordenschat
Leeftijd deelnemers: Volwassenen
Groepsomvang: 5-..
Inhoudelijk doel: Kennismaking

(*) Voor de cijferfetisjisten onder ons, in de kop staan 3,2 en 1 in aflopende volgorde.

Klik hier voor woordspel nr. 31, een taalspel met moeilijke woorden.

Woordspellerig (31): Meer met moeilijke woorden

Nieuwe woorden leren via taalspel?

Is er een taalspel dat direct gericht is op het aanleren van nieuwe woorden? Een taalspel dat je ook kunt inzetten om de grammatica te verbeteren? Een taalspel dat aanleiding geeft tot goede gesprekken en gebruikt kunnen worden als een begin van een verhaal? Ja. Dat is er.

Wat zijn moeilijke woorden?

Tijdens een verloren kwartiertje met wat collega’s liet ik ieder twee moeilijke woorden op papier zetten. “Wat is moeilijk?” was de voor de hand liggende vraag. “Dat mag je zelf kiezen,” was mijn antwoord. Het kan over een moeilijk begrip gaan, of moeilijk te spellen zijn, of anderszins moeilijk of slecht te begrijpen.
“Obstructie”, “hyacint”, “implementatiefase”, “cataract” en nog twee woorden die ik vergeten ben werden geopperd. De eerste leerfase bestond uit discussie over de juiste spelling van de woorden, maar ook over de betekenis. Zo wisten we niet allemaal dat cataract niet alleen een soort waterval is, maar ook een vorm van staar.

Volwassen resultaten

De vervolgopdracht luidde: maak van de twee woorden die een collega heeft opgeschreven een goede Nederlandse zin. Dit zou bij kinderen een goed moment zijn geweest om het over zinsbouw te hebben. De volwassenen konden gewoon aan de slag. Een van de gemaakte zinnen luidde: “De coach pleegde dusdanig veel mentale obstructie, dat het team absoluut niet toekwam aan de implementatiefase van het project.”

Deze zin paste wel bij de organisatie waar één van de deelnemers werkte.
In een geheel andere setting kwamen de woorden “waterlanders” en “mechanica” naar boven drijven. De daarop gebaseerde zin luidde: “De Waterlanders probeerden zich in de mechanica te verdiepen.” Waar de woordbedenker “waterlanders” nog zag als een ander woord voor tranen, maakte de zinschrijver er iets anders van, dat bij toeval goed paste bij het nieuwste boek van collega kinderboekenschrijver Marco Kunst. En zo kwam er vanzelf een gesprek op gang over de jeugdliteratuur.

Het taalspel is ook geschikt voor kinderen

De voorbeelden die ik net liet zien werden door volwassenen geproduceerd. Maar ik speelde het ook met twee kinderen, en met een klas vol kinderen uit groep 5. In de klas liet ik een paar kinderen de moeilijkste woorden die ze kenden opnoemen. Het waren “communiceren” en “inspiratie”. De kinderen leerden elkaar (met enige bijsturing mijnerzijds) de juiste schrijfwijze en betekenis. Vervolgens mocht iedereen proberen er een mooie zin van te maken. Wat mij bijbleef was de zin “Mijn ogen en hersenen communiceerden met elkaar, en daardoor kreeg ik inspiratie.”
Mooi, toch?

Woordspellerig (30): Zelf-woord-portretten

Kennismaking via een taalspel

Wat doe je met een groep mensen die je niet zo goed kent? Je gaat kennismaken! En een taalspel leent zich hier goed voor.
Zo deed ik talige kennismakingsspelletjes met een groep leerkrachten van een basisschool.
Eerst maakten we naamsacroniemen voor elkaar (zie hiervoor woordspellerig nr 1). Daarna liet ik de leerkrachten van één van de woorden die ze goed bij zichzelf vonden passen een prachtige maar zwaar overdreven (bijna leugenachtige) zin maken.
Het was grappig. Maar het was vooral de opmaat voor het maken van zelf-woord-portretten.

Taal en beeldtaal: portretten

Portretten en zelfportretten en zijn vooral beeldig, maar beeld-talig portretteren kan best.
Voor de taalactivering begon ik met het inventariseren van woorden die het eigen lichaam beschreven. Daarna gingen we op zoek naar de vaardigheden en eigenaardigheden van het lichaam. Tenslotte kwamen de behoeftes aan bod.
Nu hadden we genoeg woorden om er beelddichten van te gaan maken (na uitleg en voorbeelden te hebben geven: https://www.google.nl/search?q=beelddicht).
Voor de taligen onder ons: beelddichten zijn gedichten waarbij de uiterlijke verschijningsvorm lijkt op het onderwerp dat beschreven wordt.
Voor de beeldigen onder ons: beelddichten zijn tekeningen waarbij het beeld niet is opgebouwd uit lijnen en kleurvlakken, maar uit woorden.

We maakten geen gewone beelddichten, maar zelf-beeld-dichten. Zelf-woord-portretten.

Het resultaat

Er was niet veel tijd beschikbaar, dus streefden we niet naar prachttaal of prachtbeeld, maar wel naar herkenbaarheid. Dat had ook best anders gekund. Hieronder zie je wat resultaten.
Zoek mijn eigen zelf-woord-portret!




Wellicht lukt het ook met basisschoolkinderen, ik ga het zeker een keer proberen.

Woordspellerig (29): (ver-)werkwoorden

Een taalspel met zelfstandige werkwoordige naamwoorden

Er zijn zelfstandig naamwoorden (ding-woorden) die in hun meervoudsvorm ook een werkwoord (doe-woord) zijn. Het meervoud van voetbal is voetballen. En voetballen is iets dat je kan doen.
Bij voetballen liggen de betekenis van het werkwoord en het zelfstandig naamwoord dicht bij elkaar. Voetballen doe je met een voetbal.
Dat is niet altijd zo. Het meervoud van bak is bakken, maar bakken doe je niet met een bak. Bakken doe je eerder met een bakvorm, een kom, een mixer en een (bak-)oven.
Ik denk dat de meeste zelfstandig naamwoorden in hun meervoudsvorm geen werkwoord zijn. Dat komt natuurlijk doordat een hoop meervouden niet op -en eindigen, maar op –s (tafel, tafels), maar vooral omdat je sommige dingen nu eenmaal niet doet. Je gaat niet bedden. Of stenen. Of dingen. Of stoelen.
Of toch wel?

Kan je zelfstandig-naamwoorden?

In groep 4 ging ik op onderzoek uit. We zochten meervoudsvormen met –en, en bedachten wat het zou kunnen betekenen. Zo werd “bedden” naar bed gaan, “benen” een ander woord voor lopen, en wat “stoelen” is kan je in het filmpje bekijken.

Kom je zo bijzondere dingen tegen? Jawel hoor. Zo is “ballen” voor sommigen een werkwoord dat niet helemaal geschikt is voor 8-jarigen. En “gebouwen” is een werkwoord dat Jotie ’t Hooft in een gedicht gebruikte (Uit “en wat dan?”: …/Want wie als ik nooit heeft/gebouwen laat niets achter dan/
verwachting en verwarring en/wat dan?/…).
Voor je het weet gaat een taalspel daarmee over in seksuele voorlichting of poëzie-analyse. Niet verkeerd voor een spelletje werkwoorden.

PS: de andere kant op kan vast ook. Wat is een wandel? Of een tennis?

Woordspellerig (28): De eerste zin en meer

Een collega van me deed iets met koelkastpoëzie. Je hebt een stapel kleine magneetjes waar woorden op staan, en met die woorden maak je zinnen, liefst mooie poëzie. De woordmagneetjes plak je liefst op een zichtbare plaats ergens in huis (zoals op de koelkast), zodat je geliefde je liefdesdicht ziet, of een andere huisgenoot je perfecte Haiku.
Ik wilde ook koelkastpoëzie maken, maar had geen zin die magneetjes te kopen. Ik ging zelf aan de slag.
Ik weet niet zeker of ik er nu nog spijt van heb, maar ik heb er in ieder geval heel wat tijd in geïnvesteerd. Vooral denktijd, want wat voor woorden heb je allemaal nodig voor een basale taal? Werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, bijwoorden, voegwoorden, verwijswoorden, telwoorden, bijvoeglijk naamwoorden, lidwoorden, voorzetsels, persoonlijk voornaamwoorden, woordenwoorden en nog zo wat. Met de bijpassende vervoegingen (enkelvoud, meervoud, werkwoordsvormen, persoonsvormen). En naast de spreiding in grammaticale functie moest ik ook voor voldoende spreiding in onderwerpen zorgen. Woorden over vervoer, liefde, dieren, werk, huishouden, vakantie, sport en wat eigenlijk niet.

Het leidde tot een lijst met een stuk of 600 verschillende woorden, die vaak in veelvoud moesten voorkomen. Ik printte ze op stevig papier, knipte ze stuk voor stuk uit, en had een enveloppe vol met bijna 2.500 bedrukte papiertjes.

Ondertussen bedacht ik me dat ik geen zin had in klassieke koelkastpoëzie, maar wel in iets anders.
De eerste test deed ik bij een school bij mij om de hoek. 12 montessori-kinderen uit groep 7 en 8 probeerden een zin te maken te maken van de woorden die ik één voor één blind koos en daarna voorlas. De eerste goede zin van meer dan vijf woorden werd beloond met snoep. Het werkte. Wel viel me op dat sommige kinderen hun zinnen gezet hadden op een enkel woord, chagrijnig werden als dat niet kwam, en vergaten naar andere mogelijkheden te kijken. De kunst van het loslaten moest hen nog bijgebracht worden.
De tweede test was met dezelfde groep kinderen. Ze kregen allemaal een willekeurig bergje woorden, en moesten er iets moois en taligs van zien te maken. Zonder nadere specificatie van de opdracht leidde dat tot onzin, gewone zinnen en poëzie. Ik moest daarvoor wel wat regels verduidelijken of aanpassen. Zo mochten ze van mij werkwoordsvervoegingen gebruiken en enkelvoud/meervoud-wisselingen toepassen, anders zou het allemaal te lang duren.
Van de week speelde ik iets vergelijkbaars met 6e en 7e groepers op een klassikale school. Ik had de woordkaartjes niet bij me, maar noemde vrij willekeurig woorden op van dingen die ik zag of bedacht. Ook dat leidde tot taal. Misschien wat minder gevarieerd dan met 2.500 uitgeknipte woorden, maar toch. Ook leuk.
En ja, het heeft zin. Het geeft ruimschoots de gelegenheid te praten over zinsconstructies en grammatica, en oefent de taalfantasie.

Woordspellerig (26): ja/nee

2016-04-25 14.16.23

Ooit was er een spelprogramma op de radio waarbij een spelleider een deelnemer het leven zwaar maakte. De deelnemer mocht de woorden “ja” en “nee” niet gebruiken. In Asterix en de gladiatoren werd een moeilijker versie gespeeld. De woorden “wit” en “zwart” mochten ook niet. En ik hoorde ook een keer een spelletje waarbij niet ge-“euht” mocht worden.
Dit soort spelletjes zijn goed met z’n tweeën te doen, maar ook met een grotere groep. Je hebt een spelleider nodig en duidelijke regels over wat wel en niet mag. Wat natuurlijk altijd mag, is het voeren van een goed gesprek. Zolang er maar niet gejaat en geneet (of erger) wordt.
Is dit spel ergens goed voor? Ja. Nee. Je let beter op wat je zelf zegt en op wat gezegd wordt. Maar of je daarmee ook beter naar elkaar luistert waag ik te betwijfelen.

Honderd jaar geleden (en misschien wel langer terug) hoorde ik iemand op nog een andere manier met ja’s en nee’s spelen. Drummer/dichter/zanger/portier Ton Lebbink had een tekst waarin hij de woorden “ja” en “nee” verwisselde. Zo werd Nederland Jaderland, Nepal Japal, en Kenia Keninee.
Hier tref je een link naar het liedje.

De ja/nee wisseling is ook leuk om zelf (of in een klas) te doen. Zoek een ja/nee woord (in de klank), verander het en geniet.
Dit spel kan ook met andere woordtegenstellingen. Zo kan een koninkrijk een koninkarm of een koninginrijk of een presidentrijk worden. Husselen met goed/kwaad (landkwaad), meer/minder (zeeminderman) levert ook leuke dingen op. Het is wel handig als de wisselwoorden vaak voorkomen.

Woordspellerig (25): Drie Dingen (verhalenmaker)

Hoe verzin je een verhaal? Het is een vaakgestelde en veelgehoorde vraag. Bij ieder schoolbezoek is er wel iemand die het wil weten.
Nu heeft een schrijver vaak genoeg aan een enkel woord. Het maakt zelfs niet uit wat voor woord. Ik kan een recensie schrijven over “ik”, een gedicht over “koe”, een blog over “keukenschaar”. Geef me een woord en wat tijd, en er volgt wel wat.
Maar soms stokt het, laat de fantasie je in de steek, zijn er hulpmiddelen nodig. Vooral als je een goed verhaal wil maken met een hoofdpersoon, en actie. Een paar van die hulpmiddelen lenen zich ook voor een verhaalmaakspel.

Collega Marco Kunst vertelde me over een wonderlijk dier, een alledaags gebruiksvoorwerp en een historisch transportmiddel. Hij liet een klas vol kinderen fantaseren over een verhaal waar ze alle drie in voor moesten komen.
Ik probeerde het hem na te doen. Ik liet middenbouwkinderen in groepjes praten en denken over een verhaal met een regenwurm, een stekel (van een stekelvarken) en kauwgum. Zo transformeerde een meisje een stekels verzamelende regenwurm in een stekelvis, die door zijn moeder alleen nog maar geknuffeld kon worden als ze alle stekels met uitgekauwde gummetjes beveiligde. Een ander spalkte een gekneusde regenwurm met de stekel van een stekelvarken en bevestigde de stekel met kauwgum aan de wurm. En er was een regenwurm die struikelde over een stekel, en na zijn val bleef plakken in kleverige kauwgum.
2016-03-31 14.32.41
Het spel kan op allerlei manieren gespeeld worden. Ik verzon drie dingen (met inbreng van kinderen), schreef ze op het bord, en liet de kinderen een paar minuten met elkaar praten. Daarna mochten ze om beurten vertellen wat ze bedacht hadden. Bij een andere versie liet ik ze het verhaal (op hoofdlijnen) uitschrijven en tekenen. Dat kostte natuurlijk meer tijd.
Ik testte het spel ook op volwassenen uit. Een groepje ouders bij een voorlichtingsdag kregen een vergelijkbare opdracht. De fantasie werd behoorlijk aangewakkerd, en die ene ouder die zichzelf als fantasieloos beschouwde kwam met een bijna realistisch historisch verhaal. Hij was trots op zichzelf, en terecht.

Natuurlijk zijn er deelnemers die blokkeren, die wat hulp nodig hebben. Wat misschien helpt is dat alles mag, dieren mogen dood zijn, dingen mogen tot leven komen, je mag hulp inroepen van andere voorwerpen of personen (ufo’s, spoken, prinsessen, kanaries), je kunt je afvragen wat er gebeurt als een ding opeens verschijnt of verdwijnt, er zijn nogal wat suggesties de kunnen helpen. Dat alles in de hoop dat je de deelnemers niet blokkeert met je eigen fantasie.

Ik noem het spel: Drie Dingen.
Je hebt ook andere spelen die vergelijkbaar werken, zoals vier dingen, of vijf dingen. Of negen dingen (er is een dobbelsteenspel met 9 stenen, 54 verschillende plaatjes, waar je een verhaal mee moet maken).
Het helpt als één van de dingen levend is, dan heb je alvast een personage te pakken. En objecten zijn ook fijn. En een plaats en een tijdstip kan je ook best gebruiken. Maar hoe meer dingen je gebruikt, hoe meer je het verhaal vastlegt en stuurt.

Woordspellerig (24): Woordraadselmaker

2016-02-17 11.37.15
Je kent ze vast wel. Woordraadsels.
– Het is groen/bruin en glijdt heel snel de berg af. Een skiwi.
– Het is wit en bitter en knalt. Witplof.
Groente en fruit lenen zich er goed voor. Maar namen van bekende Nederlanders (of van buitenlanders, wat maakt mij dat uit) kunnen ook gebruikt worden.
– Uit de oude doos: Het zingt en staat vooraan in de file. Ramses Daffie.
– Voor de politici: Het is kaal en telefoneert. Diederik Samsung.
Met beesten gaat het ook.
– Het zegt niets en bijt. Een krokostil.
Of met gebouwen.
– Het staat in Parijs maar weet het niet zeker. De twijffeltoren.

Sommige mensen vinden ze vreselijk. Anderen vinden ze leuk. Mijn dochter kan er vaak om lachen. Ik ook.
Is het moeilijk woordraadsels te maken? Ja en nee. Het is niet moeilijk een raadsel te maken, maar ze zijn zeker niet altijd leuk of herkenbaar of makkelijk. Maar zonder het te proberen, weet je niet of het werkt.

Hoe kom je tot woordraadsels?
1. Kies een productgroep (dieren, eten, mensen, ….).
2. Schrijf de woorden op (jaja, het mag ook uit je hoofd, maar als je voor een klas staat helpt schrijven).
3. Zoek naar kleine wijzigingen die iets leuks opleveren.
4. Of kijk of je er een woord aan vast kan plakken
5. Verzin er daarna een passende vraag bij.
6. Probeer het raadsel op een willig of weerloos slachtoffer uit.

Hieronder staan een stel woorden en verbasteringen. Gevonden, door middenbouwkinderen bedacht, zelfbedacht, van alles. De vraag mag je er (meestal) zelf bij bedenken.
Aardbei – Aardblij
Andijvie – Andrijvie
Banaan – Ba-nananana (het is geel en het pest)
Bisquit – Biskiwi
Bloemkool – Boemkool
Broccoli – Krokkoli
Doperwtje – Verstoppertje
Doperwtje – Dophertje
Kiwi – Skiwi
Kroket – Kroketting
Krokodil – Krokostil
Kropsla – Krop slaap
Mandarijn – Pandarijn
Pinguïn – Springuïn
Radijs – Radijsbeer
Sla – Slawine
Sla – Slalalalala
Spin – Suikerspin
Spruit – Spruitlaat
Spruiten – Spruitenwisser
Tomaat – Automaat, Auw-tomaat
Uitje – Fluitje, Buitje, Ruitje
Witlof – Witplof
Worteltje – Wortheldje

Je kunt stoppen na het vertellen (en oplossen) van de raadsels, maar je kunt ook doorgaan. Maak er een tekening bij of verzin een wordingsverhaal (hoe wordt een aardbei aardblij). Ik wou dat ik die vervolgopdracht zelf gegeven had.
Veel plezier ermee!