Archive for taalspel

Woordspellerig (15): Zinsverlenger plus1woord

Vorige week speelde ik het woordverlengspel plus1woord (zie hier). Het spel maakt onderdeel uit van een hele reeks die ik in gedachten heb, maar dat wisten de kinderen niet. Dus riep een charmante wijsneus: “Aby, meester, zo kan je ook zinnen steeds langer maken, door woorden toe te voegen, dat is ook een leuk spel.”
Positief stimulerend al ik ben, beaamde ik dat, en bestempelde ik het als een geweldig idee. En dat was het ook.

Zinsverlenger plus1woord is leuk. Begin met een willekeurig woord dat als zins-start kan dienen (persoonlijk voornaamwoord, lidwoord, tijdsbepaling, plaatsbepaling o.i.d.) en laat iedere deelnemer een aanvullend woord kiezen. Het doel is om tot een zo lang mogelijke, goedlopende Nederlandse zin te komen, die liefst ook inhoudelijk interessant is. En dat binnen de gegeven tijd, met inbreng van alle aanwezigen.
Tussendoor is er tijd zat om te praten over zinsbouw, punten en komma’s, werkwoordsvormen, de- en het-woorden, en nog veel meer.
Groep 7 maakte er, met wat regie-ingrepen (om het verhaal lopend te houden), uiteindelijk het volgende van:
20150210_100007

(Voor als je het niet kunt lezen, dit is wat er staat: “Ergens hier in Nederland is een familie ontvoerd door de koning, en op een eiland zoekt de misdadiger naar een wapen van zijn opa en oma om zijn slachtoffers mee te vermoorden.”)
Ik was trots op ze.

Woordspellerig (14): Woordverlenger Plus1woord

2015-02-04 11.28.59

Ik ben dol op lange woorden. Vooral op woorden die zo lang zijn dat ze niet meer op het schoolbord passen. Maar hoe maak je een extreem lang woord? Met plus1woord plak je achter ieder bestaand woord een ander bestaand woord, zodanig dat het nieuwe woord bestaanbaar is. Bestaanbaar in de zin dat het taalkundig logisch is en inhoudelijk begrijpelijk.
Begin met een bestaand woord, en schrijf dat op het bord. Laat de deelnemers woorden noemen die erop kunnen volgen. Kies. En kijk maar waar je uitkomt. Tussen n’n en tussen s’n mogen altijd, wijziging van enkelvoud naar meervoud en terug ook. En briljante ideeën om een woord ergens tussenin te zetten zijn natuurlijk ook welkom.
In een groep vier kwamen we tot Kunst-gras-veld-sproei-apparaat-reparatie-set-doos-knop en Prof-zaalvoetbal-spelers-kicksen-fabrieks-directeurs-woning-deur-bel.

Kan het spel ook met ouderen? Zeker, ook met volwassenen.
Is het spel nuttig? Vast wel.
Is het leuk? Ja.

Woordspellerig (13): Dubbelzinnige combinatiewoorden

2015-02-03 14.22.12
Staat er nu minister, of mini-ster? Is een wijsneus een slimmerik of een neus in de vorm van een pijl? Zit een klokhuis binnen in een appel, of is het een huis in de vorm van een klok? Is baby-olie gemaakt van baby’s?
Het is meestal wel duidelijk wat een woord betekent, maar soms valt het tegen. En af en toe kan je met wat goede wil een andere betekenis bij een woord zoeken. Dat is niet alleen leuk om te doen, maar ook goed voor woordinzicht en taalfantasie. Bovendien kan het zomaar handig zijn bij het schrijven van een nonsens-dicht.

Voor een groep 4 schreef ik 20 combinatiewoorden op het bord. Met een paar voorbeelden legde ik uit wat de bedoeling was. Daarna mochten de kinderen zelf een woord van het bord uitkiezen, en er een andere betekenis bij zoeken. Om de beurt vertelden ze wat ze bedacht hadden.
Zo werd een pannenkoek een koek gemaakt van pannen, bleek een hoofdgerecht vooral iets voor kannibalen en was een kaaswinkel gemaakt van kaas.
Afhankelijk van de groepssamenstelling zijn ook andere spelvormen mogelijk. Laat de deelnemers zelf passende combinatie-woorden bedenken, laat ze de betekenis tekenen, laat de deelnemers niet kiezen maar geef iedereen verplicht een woord, en zo verder.
Hieronder staat een lijstje woorden die zich goed voor dit spel lenen, maar er zijn er zeker meer.

auto-maat
baby-olie
blik-opener
dakkapel
douche-gordijn
hagel-slag
hoofd-gerecht
ijs-beer
kaas-winkel
kalebas
kers-t-omaatje
klok-huis
leer-stof
lig-stoel
lucht-koker
minimaal
minister
muziek-noot
ogenblikje
padden-stoel
pannen-koek
pers-sinasappel
prullen-bak
regen-wurm
ruggen-graat
sigaren-boer
stof-schaar
tanden-borstel
trek-pop
verkeers-bord
vier-kant
voet-zoeker
waan-zin
was-bord
water-fiets
wc-bril
wijs-neus
zak-geld
zak-lamp
zand-loper
zonne-bril

Het lijstje hierboven bestaat uit woorden die bedoeld zijn om de fantasie te prikkelen. Soms liggen de dubbele betekeninssen echt niet voor de hand.
Een flink stel van deze woorden zijn ook homografen. Een homograaf is een woord dat je op verschillende manieren kunt lezen, en ook echt (bedoeld of onbedoeld) verschillende betekenissen heeft. Zo kan een massagebed een bed zijn waarop je een massage geeft (een massage-bed), of een gebed zijn dat door velen tegelijk gebeden wordt (een massa-gebed). Als je op internet zoekt naar homograaf kom je heel wat voorbeelden tegen. Zelfs het woord homograaf is een homograaf. Je kunt homografen ook vinden als je zoekt naar “bommelwoorden”. Het begrip bommelwoord is afgeleid van een bom-melding. Of is het een bommel-ding?

Woordspellerig (12): Plus1zin verhaal

Er zijn zó véél manieren om verhalen te schrijven. Zucht.
De meeste verhalen schrijf je alleen. Maar dat hoeft niet, je kunt ook met een groep aan een verhaal werken. Tijdens schoolbezoeken werk ik wel eens samen met kinderen aan één verhaal. In een open gesprek verzinnen we gezamenlijk een locatie, een karakter, een gebeurtenis of probleem, en een verhaallijn. Het lijkt op een democratisch proces, maar toch hou ik de touwtjes stevig in handen.
Maar het kan ook anders. In het taalverhaalspel “plus1zin” geef ik het creatieve proces goeddeels uit handen.
Het spel begint met een vooraf bedachte eerste, en misschien ook de tweede zin. Daarna moet iedere deelnemer zelf een zin toevoegen. Dat kan in willekeurige volgorde, wie iets weet mag iets roepen, of op volgorde van zitplaats, alfabet, of wat dan ook. Iedereen moet één zin bijdragen. Het eindresultaat moet een goed lopend verhaal zijn, met alle eisen die je daaraan kunt stellen. De spelleider houdt dat in de gaten houden, en treedt desnoods sturend op.
Waar moet je dan zoal op letten? Op alles waar je normaal in een kort verhaal ook op let. Een begin, een midden en een eind. Een enigszins consistente verhaallijn. Een interessant probleem of een pakkende gebeurtenis met een aansprekende hoofdpersoon. Je moet vooral in de gaten houden of er nog wel genoeg zinnen over zijn om het verhaal af te maken.
Het is handig tussendoor het verhaal zoals het tot-dan-toe is even te herhalen, en te bespreken. Dan kan je er meteen eventuele tijdsinconsistenties uithalen (ovt, ott, –t).

Ik speelde plus1zin met docenten van een basisschool. Ik beschreef het doel (een goed verhaal van 26 zinnen), gaf de eerste twee zinnen (“De zoon van de melkboer stond op straat. Hij had het koud.”) en was benieuwd hoe het verder zou gaan. De deelnemers waren creatief.
Ik vat het resultaat even samen.

De zoon van de melkboer bleek door de man van zijn moeder op straat gezet te zijn. Een buurman wilde hem wel helpen. De zoon van de melkboer wilde het liefst bij de buurman gaan wonen. Dat leek de buurman geen goed idee. De buurman had namelijk net een nieuwe vriendin, en wilde die niet opzadelen met een kind. Vooral niet, omdat de buurman zelf de melkboer bleek te zijn.

Enthousiasme alom. Tevredenheid over de eigen inbreng, verrassing over andermans inbreng en over de onverwachte wendingen, strijd over wie wat mocht zeggen. En er ging ook nog heel wat verhaaltheorie over tafel. Niks mis mee.

Woordspellerig (11): Klankwoord-schrijver/klankwoord-rader

2015-01-23 14.05.08

Een onomatopee is een woord dat klinkt als het geluid dat erbij hoort. Voorbeelden zijn handig. Een koekoek is een vogel waarvan de roep klinkt als “koek-koek”. Kwaken klinkt ook als kwaken. En uit een toeter komt getoet, en dat klinkt als “toet”.
In strips worden bijzondere versies van onomatopeeën gebruikt. Hier worden geluidseffecten vaak met letters aangegeven. Bij de uitlaat van een raceauto staat “VROEM!!!”, en als Batman iemand een knal geeft staat er “KNAL!”
Er zijn heel veel onomatopeeën. Hier vind je er een heel stel.

Tijdens een workshop voor docenten deed ik een taalspel waarbij nieuwe onomatopeeën gemaakt werden. Van gewone zelfstandig naamwoorden werden klankwoorden gemaakt. Vervolgens moest geraden worden wat het klankwoord betekende.
Ik maakte een lijst met zelfstandig naamwoorden die in het gebruik geluid voortbrengen. Dingen als de donder, een tandenborstel, een bed en een magnetron. Ik schreef ze op kleine papiertjes. Tijdens de workshop kreeg de helft van de deelnemers één papiertje met daarop één woord. De bijbehorende opdracht was om op een ander papier de bijbehorende klank in letters te schrijven. Zo werd de donder “kaboem-krak” en de magnetron “tik-tik-tik-pling!”. De resultaten werden door de andere helft van de deelnemers voorgelezen, of nagebootst. De voorlezers moesten raden welk zelfstandig naamwoord bedoeld was.
Makkelijk was het niet. Wel hilarisch.
Als je het spel ook wil gaan spelen, gebruik dan woorden die nogal van elkaar verschillen. Het “tatutata” van een brandweerauto, een ziekenauto en een politieauto is wellicht te moeilijk te onderscheiden.

Mocht je je afvragen of het spel ook een doel of nut heeft…. Het antwoord is: ja.

Woordspellerig (10): de koning en de poortwachter houden van taalraadsels

2014-08-13 13.52.27

Tijdens de vakantie liepen we met een grote groep volwassenen en kinderen door de bergen. Het weer was niet altijd goed, de benen waren niet altijd sterk, het moraal niet altijd hoog. Het was dus vaak tijd voor een spelletje.
We deden raadsels. Er zijn raadsels zat, ook woord-/taalraadsels, en sommigen zijn goed geschikt om met grotere groepen te doen. Laat iedereen maar raden naar het juiste antwoord. Wie het weet mag het antwoord niet verklappen, maar moet laten blijken dat hij/zij de oplossing gevonden heeft.

Hier is er een over een kieskeurige koning:
De koning gruwt van sla, maar niet van friet. De koning houdt wel van vlees, maar niet van vis. Hij vindt kaas vies, maar fruit lekker. Hij is wel kieskeurig met fruit. Eén appel is lekker, maar twee appels vindt hij te veel. Eén peer vindt hij maar niets, maar twee peren vindt hij fijn. De koning houdt zeker niet van aardbeien en frambozen.
Waar houdt de koning van?

Hier is er nog een over een waakzame poortwachter:
Voor het paleis van de koning staat de poortwachter. Als een bezoeker naar binnen wil, noemt de poortwachter een woord. Als de bezoeker met het juiste woord reageert, mag hij naar binnen, anders niet.
Bij de eerste bezoeker zegt de poortwachter “twaalf”. De bezoeker antwoordt met “zes” en mag naar binnen. Bij de tweede bezoeker zegt de poortwachter “acht”. De bezoeker antwoordt met “vier” en mag naar binnen. Bij de derde bezoeker zegt de poortwachter “tien”. De bezoeker antwoordt met ‘vijf”, maar dat is fout. Hij mag er niet in.
Wat is wel het goede antwoord? En waarom is dat zo?

Woordspellerig (9): Symboolwoorden

Op een vroege ochtend schreef ik het schoolbord vol met symboolwoorden. 2014-06-18 14.30.29
Symboolwoorden lijken op rebussen of sms-taal, maar zijn toch anders.

Symboolwoorden maak je met alle tekens die je op een toetsenbord kunt vinden. Je gebruikt het symbool in plaats van de naam (of de klank) van het symbool. Dat kan ik het best uitleggen met voorbeelden.
– Hier staat 8baan (achtbaan).
– Dit is een Tpot (theepot).
– Het volgende woord is een .neus (puntneus).
– Gem1 (gemeen) is ook een symboolwoord.
Langere woorden kunnen ook, zoals 8er1volgend (achtereenvolgend) en #boogver1iging (kruisboogvereniging).
Aan het woord #boogver1iging zie je dat de regels buigbaar zijn. De 1 in het woord klinkt als een 1, maar je schrijft all1 de “&”.
Verwarring ligt bij symboolwoorden wel op de loer. Waar muzikanten in een # een kruis zien, zien twitteraars een hashtag, en bellers een hekje. De context of de aannemelijkheid moet dan uitkomst bieden.

Welke spelvormen zijn er nu te vinden voor symboolwoorden?
– Schrijf en symboolwoord, en laat de deelnemers raden wat er staat
– Laat de deelnemers zelf symboolwoorden maken (de meeste of de mooiste krijgt extra aandacht)
– Laat een zin of een verhaal maken met zoveel mogelijk symboolwoorden:
Op 1 zomerse 8rnamiddag fietsten 7 @rbakjes met *allures, .schoenen & )neuzen met –der haast dan goed voor ze was van hun school in 3bergen naar h@ voetbalkamp in 4houten.

Het verschil tussen symboolwoorden, rebussen en sms-taal is gradueel.
Bij rebussen mag je alle beelden gebruiken om iets uit te beelden, dus ook plaatjes van de onderwerpen, en mag je welhaast rekenkundige bewerkingen op de beelden toepassen ([plaatje van tent] + [plaatje van stok] = tentstok). Een rebus is ook meer een taal/beeld puzzel. In een rebus zou je plaats van 8rnamiddag ook middag8r kunnen schrijven. Rebussen bestaan meestal uit hele zinnen.
SMS-taal bevat een heel scala van verkorte weergaven, en omvat symboolwoorden, maar ook afkortingen, acroniemen, klinkerloze woorden en meer.

Met het gebruik van symboolwoorden en sms-taal oefen je het maken van klank, beeld en lettercombinaties.

Woordspellerig (8): Letter-estafette

letterestafette beeldToen ik als kind met mijn ouders in de auto zat en begon te klagen dat ik me verveelde, wilde mijn moeder altijd wel een spelletje met me doen. Meestal begonnen we met “Ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet”. En daarna stapten we over op het opsommen van dieren. Maar niet zomaar van dieren. Nee. De laatste letter van het eerste dier moest gebruikt worden als eerste letter van het tweede dier. En de laatste letter van het tweede dier moest gebruikt worden als eerste letter van het volgende dier. En maar door en maar verder. Een voorbeeld? Baviaan. Nijlpaard. Duif.
Ik heb geen idee of mijn moeder dat spel een naam gaf. Maar ik noem het letterestafette. De laatste letter van het eerste woord geeft het estafettestokje over aan de eerste letter van het volgende woord.

Letterestafette kan ook heel goed gespeeld worden met mensen die niet van dieren houden, maar wel van topografie. Steden, dorpen, landen, rivieren beginnen en eindigen ook met een letter (en die enkele keer dat een berg op een cijfer eindigt, zoals de K2, is er wel een twee-landenpunt of een tweede jan steenstraat die het stokje over kan nemen). En namenestafette (desnoods: Bekende Nederlanders-estafette) lijkt me ook goed te doen. Of scheldwoordenestafette (dufneus, slijmdruiper, ransworst).

Letterestafette hoeft zich niet te beperken tot enkele woorden. Op de basisschool waar ik regelmatig mag optreden gaf ik kinderen de opdracht zinnen te maken met het principe van de letterestafette. De meeste bijdragen waren driewoordszinnen als: “Mark koopt taartjes”. Maar met de volgende zin is ook weinig mis: “Elias’ snelste ezel leert telkens sneller rennen”.

Woordspellerig (7): Woordvrager

woordrader

Zijn er nog nieuwe woordraadspelletjes, naast galgje en ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet en en lingo?
Vast wel. Vast niet. Ik weet het niet. Maar ik speelde een voor mij nieuw woordraadspel met drie groepen kinderen op een school in Amsterdam-Oost.

De eerste en de laatste letters zijn bekend, en het totaal aantal letters ook. Door vragen te stellen die met ja of nee beantwoord kunnen worden, krijgen de deelnemers informatie over het woord. Wie het woord raad krijgt een pluim, of de beurt, of iets anders.
Alle woorden mogen. Werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, telwoorden, bijvoeglijk naamwoorden, scheldwoorden. Het mogen dode en levende dingen zijn, maar ook halfdode zombies. Als je dat van tevoren afspreekt mogen het zelfs namen zijn.
Bijna alle vragen mogen. Alle vragen naar de aard van het woord (levend/dood/kleur/grootte/…) de woordsoort (werkwoord/zelfstandig/bijvoeglijk/…) zijn toegestaan. Het enige dat niet gevraagd mag worden, is of bepaalde letters in het woord voorkomen. Als je dat soort vragen wilt kunnen stellen moet je maar galgje spelen.

Hoe jonger de deelnemers, hoe korter of makkelijker de woorden moeten zijn. En bij oudere deelnemers kan het een stuk moeilijker worden. Als het woord te moeilijk lijkt, kan je als spelleider hints geven. Heel jonge kinderen vinden vragen stellen vaak lastig en beginnen het liefst meteen met raden. Daar kunnen ze wel wat hulp bij gebruiken.
Varianten zijn er zat. Meer of minder letters bekend maken, bepaalde soorten woorden verbieden (of verplichten), verzin het maar.

Natuurlijk kan je het spel met z’n tweeën spelen, maar bij grotere groepen is er meer interactie, en leren de deelnemers van elkaar en elkaars vragen.

Woordspellerig (6): Woordenjacht

2014-05-20 09.53.15

Je hebt van die woorden die bijzonder zijn. Omdat ze van links naar rechts en van rechts naar links gelezen hetzelfde zijn (‘pap’, ‘mam’ en ‘lepel’ zijn voorbeelden van zogenoemde “palingrammen”). Of omdat er belachelijk veel verschillende klinkers in staan (‘verstandhouding’, ‘februarizon’). Of dat de klinkers in een woord allemaal dezelfde zijn (‘maasdrachtvaart’). Of dat ze alleen maar verschillende letters bevatten (‘houtsnijwerkblad’ en ‘gymnastiekvrouw’ zijn voorbeelden van zogenoemde “isogrammen”).
Ik weet niet hoeveel bijzondere woordsoorten er zijn, maar het zijn er veel. Er zijn boeken over volgeschreven.

Met een klasje 8 jarigen ging ik op zoek naar palingrammen. ‘Legovogel’ was het langste woord dat ze wisten te vinden. Voor een sessie met onderwijzers ging ik op zoek naar onomatopeeën. Een onomatopee is een woord dat klinkt als het geluid dat erbij hoort. Dat kreeg ik alleen maar uitgelegd met voorbeelden (het woord ‘grommen’ klinkt zelf ook als grommen, zoals ‘stotteren’ als gestotttteter klinkt).
Woordenjacht is makkelijk te spelen.
De openingsvraag luidt: “wie kent er een woord dat voldoet aan deze-en-deze eigenschappen?” Als je de moeilijkheidsgraad aanpast aan het publiek, komen er vanzelf woorden naar boven sijpelen. En met een beetje mazzel heb je een goede bron aangeslagen.

Elders geef ik de resultaten van mijn onomatopeeënjacht weer.
En hier staan de resultaten van een zoektocht naar woorden met de klinkerparen ui/e/aa.